De flexibele arbeidsmarkt werkt helemaal niet zo goed. Bedrijven moeten het initiatief gaan overnemen van overheden en sociale partners.
Ongeveer 35 procent van alle banen bestaat uit flexibel werk. Deze mensen verdienen over het algmeen minder, ze maken minder gebruik van scholingsfaciliteiten en hun baanzekerheid is beperkter. Dit meldt hoogleraar Erik van Gier tijdens zijn afscheidsrede van de Radboud Universiteit Nijmegen.
Werkgelegenheidsval Een belangrijk deel stapt uiteindelijk dan ook over naar een vaste baan. Dit zijn echter overwegend hoogopgeleiden, zo blijkt uit onderzoek van het Centraal Plan Bureau. 'Verontrustend', meent Van Gier. "In het bijzonder aan de onderkant van de arbeidsmarkt profiteert niet of onvoldoende van de productieve verzorgingsstaat. Als werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt al betaald werk hebben, betreft het vaak de vanuit kwalitatief oogpunt slechtere baantjes. Ook hun inkomen blijft in relatieve zin achter bij de hoogopgeleiden. Tot slot is voor werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt de tijdelijke baan doorgaans geen opstapje naar vast werk, maar veeleer een duurzame werkgelegenheidsval die hen in het marginale deel van de arbeidsmarkt vast houdt. Per saldo lijkt er op grond van de resultaten van de CPB-studie sprake van een tweedeling op de Nederlandse arbeidsmarkt."
Het gegeven dat flexibilisering goed is voor de arbeidsmarkt, lijkt daarom een mythe - meent Van Gier. Zeker voor de onderkant van de arbeidsmarkt. Eerder bleek overigens ook al dat organisaties kennis verliezen door hun flexibele schil. Maar waarom blijft de flexibele arbeidsmarkt dan zo populair? Als eerste reden noemt Van Gier: omdat er geen alternatief is.
Walfare work Overheden hebben een grote rol gehad in de creatie van dit ideaalbeeld rond de maakbaarheid. Doordat ze zich nu echter steeds minder bemoeien met de arbeidsmarkt, moeten ondernememingen weer een rol gaan spelen. Weer zegt Van Gier, omdat in de jaren twintig van de vorige eeuw in de VS fanatiek door werkgevers werd gewerkt aan de binding met personeel. "In 1926 beschikte 80 procent van de grote Amerikaanse ondernemingen over ten minste een specifieke vorm van welfare work." - Zijnde sociale zekerheidsprogramma, leningen en dergelijke.
Wat Van Gier betreft moeten ondernemningen hun rol weer oppakken. "En daarnaast een relativering van het door overheid en georganiseerde sociale partners gevoerde activerende arbeidsmarktbeleid. Hierbij kan volgens mij een herwaardering van de bedrijfssociologie nuttige diensten bewijzen."