Hart voor de publieke zaak is een van de motieven voor ambtenaren om in de publieke sector te werken. Maar dit geldt niet voor alle ambtenaren. Hierdoor zijn er verschillen in de keuze van de baan en ook hoe ambtenaren hun werk uitvoeren.
Dat stelt Margaretha Buurman in haar proefschrift Beyond the Call of Duty? Essays on motivation and self-selection of bureaucrats. Zij promoveert 20 januari aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Buurman deed onderzoek naar het verschil in motivatie onder ambtenaren en de gevolgen daarvan voor het personeelsbeleid in de publieke sector. Verschillen in de uitvoering van het beleid ontstaan als ambtenaren een bepaalde vrijheid hebben in het nemen van beslissingen. Een bijstandsconsulent kan bijvoorbeeld besluiten om geen sanctie uit te delen aan een uitkeringsgerechtigde, omdat hij empathie voelt voor de cliënt. Een uitkeringsinstelling kan proberen het gedrag van de ambtenaren bij te sturen door de gewenste beslissingen te belonen. Maar hier zijn wel kosten aan verbonden, stelt Buurman. Het werk wordt minder aantrekkelijk waardoor ambtenaren financieel gecompenseerd moeten worden. Ook kan het leiden tot een tweedeling in het personeelsbestand.
Of een baan aantrekkelijk is, hangt niet alleen af van het salaris, maar ook van het soort cliënten of leerlingen waarmee de ambtenaar werkt. Scholen met veel probleemleerlingen hebben bijvoorbeeld vaak moeite om voldoende personeel gekwalificeerd personeel aan te trekken. Als de kosten van het werken met probleemleerlingen hoog zijn, kunnen zelfs zeer gemotiveerde docenten een school zonder probleemleerlingen prefereren. Deze scholen kiezen dan vervolgens de docenten met veel zichtbaar talent, zoals opleiding of ervaring. De scholen met probleemleerlingen hebben dan niet veel keuze in het aannemen van nieuwe docenten, aldus Buurman.