Werkgever      
Contact   |   Helpdesk   |   Registreren   |   Inloggen

>> zoek snel een baan binnen onze vacatures

 
Meer zoekopties  

SER: Iedereen profiteert van jobhoppen

Werkenden moeten zonder hindernissen van de ene baan naar de andere kunnen overstappen. Ook moeten de grenzen tussen sectoren worden geslecht. Werkgevers, werknemers en overheid moeten daarvoor investeren in scholing en inzetbaarheid van medewerkers.

Dat staat in het ontwerpadvies Werk maken van baan-baanmobiliteit dat de SER op 15 april zal vaststellen.

Werknemers vergroten door de verschillende ervaringen hun kennis en kunnen zich verder ontwikkelen, zodat zij langer, productiever en gezonder aan het werk kunnen blijven. Werkgevers profiteren ervan doordat de doorstroming van de juiste mensen naar de juiste plek wordt versoepeld en de dynamiek en de kennisuitwisseling in de organisatie toeneemt. Dat is volgens de SER goed voor sociale innovatie en het voorkomt knelpunten op de arbeidsmarkt.

Werkgevers en werknemers weten zelf het beste hoe mobiliteit kan worden gestimuleert, concludeert de SER dat daarvoor drie hoofdlijnen heeft geformuleerd. 

1. Creëer een' mobiliteitscultuur' (mentaliteitsomslag)
Werkgevers en werknemers moeten zich meer bewust worden van de voordelen van het vaker veranderen van baan. Baanmobiliteit moet meer dan nu een rol spelen in het personeelsbeleid van organisaties, bijvoorbeeld door het bieden van doorstroommogelijkheden en het ontwikkelen van loopbaanpaden voor werknemers. In het personeelsbeleid moet ook specifieke aandacht komen voor de mogelijkheden voor oudere werknemers. Door deze maatregelen moet een cultuur ontstaan waarin het normaal is vaker van baan te wisselen.

2. Investeer in scholing en inzetbaarheid van werknemers
De commissie is voorstander van het verder ontwikkelen van een persoonlijk budget waarmee werknemers scholing kunnen volgen om binnen de sector een carrièrestap te maken. In sommige sectoren zijn al afspraken gemaakt over persoonsgebonden financiering. Het is aan sociale partners op sectorniveau om deze trend voort te zetten.
Ook pleit de commissie voor een effectieve(re) inzet en gebruik van de bestaande mogelijkheden en middelen om scholing te volgen, ook voor groepen die hier nu nog geen of te weinig gebruik van maken. Daarbij behoren ook afspraken op cao-niveau over scholing in de huidige functie voor werknemers met een tijdelijk of deeltijdcontract.

Om een overstap naar een andere sector te maken, is vaak intensievere en kostbare scholing nodig. De commissie roept de sectorale opleidings- en ontwikkelingsfondsen op vrijwillig samen te werken en geld beschikbaar te stellen voor deze scholing. Daarnaast moet het voor de werknemer eenvoudiger worden om via cofinanciering (door de werkgever of sector en de overheid) omscholing te betalen. De omscholingswens van de werknemers staat hierbij voorop. Wordt een werknemer met werkloosheid bedreigd, dan moet onder bepaalde voorwaarden een beroep kunnen worden gedaan op geld dat bestemd is voor re-integratie. Uitvoeringsorganisaties moeten de vraag van de werkgever meer centraal stellen.

3. Versterk faciliteiten die mensen ondersteunen: goede informatie- en netwerkstructuur
De commissie vindt dat de toegankelijkheid van arbeidsmarktinformatie verder kan verbeteren. Het aanbod van vacatures en werkzoekenden moet transparant zijn met het oog op een goede match en snelle bemiddeling. Daarvoor is het van belang dat UWV Werkbedrijf en private uitzendbureaus samenwerken. Werkgevers dienen vacatures te (blijven) melden bij het UWV en/of private intermediairs. Het UWV moet meer gebruikmaken van moderne zoek- en wervingskanalen, waaronder social media. Het bestaande netwerk van bedrijfsadviseurs, leerwerkloketten, brancheservicepunten en het UWV kan nog beter worden benut. De commissie vindt dat mobiliteitscentra in dit netwerk een plek moeten krijgen en dat daarvoor geld beschikbaar moet blijven.



SER 05-04-2011




Deel deze pagina met jouw sociale netwerken

QR-code voor deze pagina