Driekwart van de schoolverlaters die zonder diploma de arbeidsmarkt opstroomt, heeft na vier jaar een baan. Maar hoe hoger het niveau van de afgebroken opleiding, hoe moeilijker het is om zonder startkwalificatie aan de slag te gaan.
Dat blijkt uit cijfers van het CBS. Van de voortijdig schoolverlaters hebben degenen uit het MBO het beste perspectief op een baan. In het vierde jaar na schoolverlaten was 75 procent aan het werk. Daarna volgt het VMBO. Voortijdig schoolverlaters van Havo/VWO blijven daarbij achter met slechts 44 procent die een baan had in 2008.
Het kost de voortijdig schoolverlaters wel lange tijd voor ze een werkgever van hun kwaliteiten hebben overtuigd. In het vierde jaar na schoolverlaten had 72 procent van de voortijdig schoolverlaters een baan. Dit is een behoorlijke toename ten opzichte van het eerste jaar na schoolverlaten. Toen had slechts 57 procent een baan. Voor schoolverlaters met een startkwalificatie nam het aandeel met een baan toe van 81 procent in het eerste jaar tot 92 procent in het vierde jaar.
Niet-westerse allochtonen hadden vaker geen baan dan autochtonen als zij voortijdig van school gingen. In het vierde jaar na schoolverlaten had iets meer dan de helft een baan, tegen 80 procent van de autochtonen. Autochtonen waren vaker al verder met de opleiding in het mbo, havo of vwo voordat deze werd afgebroken en hadden ook vaker een vmbo-diploma. Met een startkwalificatie neemt het perspectief op een baan voor niet-westerse allochtone schoolverlaters aanzienlijk toe.